Hoog in de bergen tussen Peru en Bolivia ligt een enorm meer: het Titicacameer. Op dat meer wonen mensen op eilanden die zij helemaal zelf hebben gemaakt. De eilanden zijn niet van zand of steen, maar van riet. Ze drijven boven op het water. Het volk dat hier woont, heet de Uros.
Langs de oevers van het meer groeit een hoge rietsoort, totora genaamd. De wortels van dat riet vormen onder water dikke, drijvende plakken. De Uros snijden die plakken los en binden ze aan elkaar vast. Daarbovenop leggen ze laag na laag vers riet. Zo ontstaat een stevige bodem waarop je kunt lopen en zelfs huizen kunt bouwen.
Het riet aan de bovenkant rot langzaam weg in het water. Daarom moeten de bewoners steeds nieuw riet op hun eiland leggen. Wie dat niet doet, ziet het eiland onder zijn voeten verdwijnen. Het onderhoud gaat dus altijd door. Ook hun boten en zelfs hun huizen maken de Uros van hetzelfde riet.
Lang geleden begonnen de Uros met deze eilanden om een goede reden. Op het water waren ze veilig voor vijandige volken aan de kant. Kwam er gevaar, dan konden ze hun eiland gewoon ergens anders heen verplaatsen. Een dorp dat kan wegvaren, is niet makkelijk te veroveren.
Vandaag de dag wonen er nog steeds Uros op de eilanden, al is hun leven veranderd. Veel bewoners verdienen nu geld doordat reizigers de bijzondere eilanden willen bekijken. Sommige families hebben zelfs zonnepanelen op hun rieten bodem gelegd. Toch blijven de oude gewoonten belangrijk: kinderen leren nog steeds hoe je riet snijdt en een eiland onderhoudt. Zo houden de Uros een manier van leven in stand die al honderden jaren oud is, en passen ze die tegelijk aan de nieuwe tijd aan.
De drijvende eilanden laten zien hoe vindingrijk mensen kunnen zijn. Met niets meer dan riet bouwden de Uros een veilige plek midden op het water, en die plek bestaat nog altijd.